Portugees Basis · Les 5.1 · Vrije tijd
Na deze les kun je in een paar zinnen vertellen wat je gedaan hebt, met wanneer en waar. Je volgt het korte verhaal van een ander en reageert erop.
HerhaalStap 1
LeesStap 2
Het is maandagochtend. Bij de bakker kom je Dona Graça tegen. Ze vraagt hoe je weekend was. Jij vertelt over zondag met Inês in Belém, zij over het bezoek van haar kleinkinderen.
Dona Graça en jij spreken elkaar beleefd aan: met a senhora of met de derde persoon, zoals altijd.
Je bent nu op A2. De zinnen worden langer: twee zinnen na elkaar, met mas en depois.
LuisterStap 3
| Portugees | Nederlands |
|---|---|
| ontem | gisteren |
| anteontem | eergisteren |
| agora | nu |
| quando | wanneer |
| connosco | met ons, bij ons |
| passado, passada | vorig, vorige |
| a semana | de week |
| passar | doorbrengen |
| descansar | uitrusten |
| jogar | spelen (een spel) |
| as cartas | de kaarten |
| o arroz | de rijst |
| juntos, juntas | samen |
| o passeio | de wandeling, het uitstapje |
| a exposição | de tentoonstelling |
| ficar em casa | thuisblijven |
| cansado, cansada | moe |
LeesStap 4
Voor iets wat af is (gisteren, vorige week, zondag) heeft het Portugees een verleden tijd van één woord: trabalhei, ik heb gewerkt, ik werkte. Je hoort hem in elk verhaal over het weekend.
| trabalhar | comer | abrir | |
|---|---|---|---|
| ik | trabalhei | comi | abri |
| jij | trabalhaste | comeste | abriste |
| hij, zij, u | trabalhou | comeu | abriu |
| wij | trabalhámos | comemos | abrimos |
| jullie, zij | trabalharam | comeram | abriram |
Sair (uitgaan, weggaan) gaat als abrir, met een accent: saí, saíste, saiu.
In Portugal schrijf je de verleden tijd van -ar met een accent: trabalhámos, we hebben gewerkt. Zonder accent is het de tegenwoordige tijd: trabalhamos, we werken. Bij -er en -ir zijn de twee vormen gelijk (comemos); dan zegt de zin welke tijd het is: Ontem comemos peixe.
Bij een paar werkwoorden verandert de spelling in de vorm van "ik", zodat de klank blijft:
Ir en ser zijn onregelmatig. Twee vormen leer je nu als vaste zin: Fui ao cinema (ik ben naar de bioscoop geweest) en Como foi? (hoe was het?), Foi muito bom (het was heel fijn). De hele reeks komt in les 6.4.
De Nederlandse valkuil: "ik heb gewerkt" is trabalhei, zonder "hebben". Tenho trabalhado bestaat ook, maar betekent iets anders: "ik werk de laatste tijd steeds". Zeg je Tenho visitado o museu, dan hoort een Portugees dat je er de laatste tijd vaak komt.
Ken je Spaans? He trabajado en trabajé worden allebei trabalhei. Comimos is comemos. Trabajamos (verleden tijd) wordt trabalhámos, met een accent.
OefenStap 5
Vul de verleden tijd in. Het werkwoord staat erachter.
Denk aan het gesprek. Klopt het?
4 vragen
Sam heeft zaterdag gewerkt.
Sam was zondag met Dona Graça in Belém.
De kleinkinderen kwamen op zaterdag.
Senhor Manuel heeft gekookt.
HerhaalStap 6
Een week nadat je deze les op Begrepen hebt gezet, staan hier 3 snelle vragen voor je klaar.

48 lessen · 8 modules · A1 · A2
Je stelt je voor, doet boodschappen, bestelt in een café en vraagt de weg, in het Portugees zoals je het in Lissabon hoort.
Inclusief btw · eenmalig · levenslang toegang
Je hoeft geen account te maken. Na het betalen krijg je een mail waarmee je meteen kunt beginnen.
Voor de btw op je factuur. De prijs blijft gelijk.
Toch niet wat je zocht? Vraag binnen 14 dagen je geld terug.
Je betaalt via Mollie met iDEAL | Wero, Bancontact of een overboeking.
Heb je al een account? Dan kun je ook eerst inloggen.
Met je bestelling ga je akkoord met de algemene voorwaarden. Lees ook ons privacybeleid.
| Portugees | Nederlands |
|---|---|
| Como foi o fim de semana? | Hoe was het weekend? |
| Foi muito bom. | Het was heel fijn. |
| Fui ao cinema. | Ik ben naar de bioscoop geweest. |
Bij de woorden:
Bij de bakker. Dona Graça begint.
| Portugees | Nederlands |
|---|---|
| arroz de pato | rijst met eend, een gerecht uit het noorden |
| E descanse! | En rust uit! (beleefd, als advies) |
| Portugees | Nederlands |
|---|---|
| Bom dia, Dona Graça! Foi muito bom. No sábado trabalhei, mas no domingo passei a tarde em Belém com a Inês. | Goedemorgen, Dona Graça! Het was heel fijn. Zaterdag heb ik gewerkt, maar zondagmiddag was ik met Inês in Belém. |
| Visitámos, sim. Depois passeámos no jardim e comemos pastéis de Belém. | Ja. Daarna hebben we in het park gewandeld en pastéis de Belém gegeten. |
| Gostei muito! Mas cheguei a casa muito tarde. E a senhora? Como foi o seu fim de semana? | Heel erg! Maar ik was pas heel laat thuis. En u? Hoe was uw weekend? |
| Que giro! Almoçaram juntos? | Wat leuk! Hebben jullie samen geluncht? |
| No sábado passado fiquei em casa e descansei. | Vorige zaterdag ben ik thuisgebleven en heb ik uitgerust. |
| Anteontem à noite saí com uns amigos. | Eergisteravond ben ik met een paar vrienden uit geweest. |
| A semana passada visitei uma exposição. | Vorige week ben ik naar een tentoonstelling geweest. |
| O passeio foi muito bom. | Het uitstapje was heel fijn. |
| Hoje estou um pouco cansada. | Vandaag ben ik een beetje moe. (een vrouw) |
| Hoje estou um pouco cansado. | Vandaag ben ik een beetje moe. (een man) |
1 / 5: Dona Graça vraagt: Como foi o fim de semana? Het was heel fijn.
Typ de zin zelf. Daarna hoor je het voorbeeld en vergelijk je.